Hygiënisch gedrag of poetsgedrag

aa 

In de zomer interesseert het de bijen nauwelijks wat de Varroa doet omdat ze zich in de kleincellige volken concentreren op het darrenbroed. Volgroeide volken poetsen hier voortdurend de mijten weg. Zolang er darrenbroed is, is er van de kant van de bijen weinig behoefte aan interventie. In feite is ook niet de varroa het gevaar, maar de daaruit voorkomende ziektes.

Erik uit Zweden vertelde dat de bijen toen de varroa daar aankwam, tot 20.000 mijten per volk overleefden zonder aan het DWV virus ( gedeformeerde vleugelvirus ) ten prooi te vallen. Toen begonnen ze met zuren te behandelen en het gevolg was dat ze daardoor de bijen zodanig verzwakten dat al bij 1000 tot 2000 mijten vervormde bijen verschenen. Zo zien we dat dit alles veel te maken heeft met stress en dat door de chemische middelen het immuunsysteem enorm wordt verzwakt.

Het interessante is nu dat in Spanje de weerstand tegen het DWV virus toeneemt (volgens Dr. Fernando Calatayud, bioloog, Valencia, Spanje). Daar wordt niet met organische zuren tegen Varroa behandeld. Maar in Zweden gebruikt men uitsluitend organische zuren. Dit betekent dat zeer waarschijnlijk het gebruik van zuren, de weerstand tegen het DWV virus afbreekt. Dit lijkt logisch als je bedenkt dat deze zuren gaten vreten in het chitinepantser van de bijen.

Terug naar de incubatietijd.

Doordat bij de kleincellige bijen de mijten zich in het darrenbroed concentreren, is de incubatietijd van de honingbij niet direct cruciaal op dat moment. Aangezien de mijten niet in het werksterbroed zitten, kan dit geen invloed hebben op de ontwikkeling van de varroa. Maar waarom kruipt de mijt niet in het werksterbroed? Omdat ze weet dat ze daar, door de verkorte incubatietijd, niet kan vermenigvuldigen en ze geeft dus de voorkeur aan het darrenbroed (Er zijn nog andere redenen behalve het tekort aan ruimte in de cel, maar dit is hier niet zo van belang). De darrencellen bevatten ook tweemaal het volume aan voedsel van de werkstercellen, wat de mijten aantrekt. Dee Lusby heeft het over het
pseudo-darren effect en verklaart dat de mijten bij de grootcellige bijen het werksterbroed verwarren met het darrenbroed. De cellen van de conventionele werksterbijen zijn bijna net zo groot als het darrenbroed van kleincellige bijen en de apis cerana bij waar de varroa van afkomstig is.

En hier komt de crux.

Dee merkte op dat het poetsgedrag vooral afhangt van het aantal bijen dat er is voor de noodzakelijke werkzaamheden.

a

Er zijn prioriteiten, of laten we zeggen een hiërarchie. Broed verzorgen is bijvoorbeeld belangrijker dan poetsen.
Aangezien de
levensduur van de kleincellige bij aanzienlijk langer (8-12 weken) is dan die van de grootcellige bijen, hebben we veel meer bijen beschikbaar voor dezelfde hoeveelheid werk.
En laten we even bedenken wat ze allemaal moeten doen, broed warm houden, voeden, cellen schoonmaken, propolis aanbrengen, honing indikken, ventileren, nectar, water, en stuifmeel halen, de ingang bewaken enz., enz.
Dit betekent dat de kleincellige bijen veel eerder beginnen om de met varroa geïnfecteerde cellen leeg te maken. En dat is geheel in overeenstemming met onze ervaring. Als we kleincellige en grootcellige volken die dezelfde moeders hebben bekijken, zien we in het eerste kaalkoppig broed en in de laatste niets. Dit komt pas als het al te laat is.
Natuurlijk, we kunnen en moeten ook selecteren op poetsgedrag, maar onze ervaring is dat wat hierboven wordt beschreven veel belangrijker en fundamenteel is.
Zo zien we dat we met de kleincellige bijen een veel betere uitgangspositie hebben en is het dan veel gemakkelijker om in de goede richting te selecteren.

Michael Bush deed een aantal tests. Hij kocht in de handel normale koninginnen van verschillende rassen en bracht een deel over op kleine cellen en het andere deel op grote cellen. Alle kleincellige volken toonden hygiënisch gedrag, de grootcellige niet.

Waarom leven de kleincellige bijen langer?
We hebben geleerd dat de bijen normaal in de zomer zes weken leven. De ervaring leert dat bijen die behandeld worden met chemicaliën en zuren aanzienlijk korter leven.

Tijdens de wintermaanden kan een bij meer dan 6 maanden leven.
Waarom zo lang?
Omdat ze zich niet hoeven uit te putten door veel werk.

Bij de kleincellige bijen hebben we een compacter broednest door de kleinere celgrootte en door de kleinere raatafstand.
3 ramen Langstroth met kleincellige bijen hebben hetzelfde aantal cellen als 4 ramen grootcellige bijen.
Dus is het volume van het broednest beslist kleiner en zijn er minder bijen nodig voor hetzelfde werk.

We weten dat de problemen voor de bijenvolken vandaag de dag worden veroorzaakt door te veel stress. Stressfactoren zijn de ziekten, de chemische stoffen in de kast, misplaatste raten, te grote cellen, bijenrassen die niet zijn aangepast aan de omgeving, besmette was, te veel of te weinig darrenbroed, vernietigde microfauna, bijenteelt praktijken die niet tegemoet komen aan wat de bijen nodig hebben, zwerm preventie, winst-georiënteerd selectief telen, migratie, het voeden met kunstmatig voedsel, kunstpollen, stroop, enz. enz.

En wie is blootgesteld aan te veel stress, wordt ziek en zijn immuunsysteem wordt aanmerkelijk verzwakt.

De bijen hoeven zich bij de kleincellige volken niet voortdurend uit te putten, want voor hetzelfde  werk zijn veel meer bijen aanwezig. Ze leven langer.

Hoe groter het volk wordt, hoe meer ontspannen de situatie.

Poetsgedrag, VSH, hygiënisch gedrag, kaal koppig broed het is allemaal hetzelfde. Dit kan men ook met selectie bereiken, maar dan blijft het instabiel. Als dat wel zo was, dan zouden we door het decennia lang selecteren op resistentie al veel meer succes moeten hebben.

Een andere interessante waarneming die ik maakte bij volken die gestart waren zich te verdedigen tegen de mijten was de consistentie en de hoeveelheid propolis die veranderde. Veel, veel meer propolis en ongelooflijk plakkerig. Maar alleen in deze overgangsperiode, later was het weer normaal qua kwantiteit en kwaliteit.